GoNo's Gedichten & Verhalenhoek

De hersenspinsels van een zelf- en door anderen verklaarde dichter/schrijver.

zaterdag 30 augustus 2014

Dansen met de duivel…




Waarom zijn sommige mensen toch zo goedgelovig, vraagt Bernard zich telkens weer af. Al dertig jaar reist hij België af als verkoper van gebakken lucht. Z’n zelfgemaakte brouwsels gaan als zoete broodjes over de toonbank. Voor elke ziekte heeft hij wel een middeltje. Homeopathische kruidenaftreksels. ’t Is gewone kruidenthee, aangedikt met zoete siroop. Je gaat er niet aan dood, maar genezen doe je er ook niet van. Bernard doet bij voorkeur de kleine dorpen aan. De gehuchten, waar de tijd bleef stille staan…

Z’n oude Lada, die rammelt als een boerenkar met melkkannen op, is op een punt gekomen dat hij bijna de geest gaat geven. Z’n motor sputtert en kreunt als een oude prostituee, die nog eenmaal de liefde wil bedrijven met een jonge knaap, alvorens ze voorgoed haar benen sluit. Bernard tuurt op z’n kaart. Het lichtje in z’n wagen gaat aan en uit, als een knipperlicht. Waar zit ik, verdomme, vraagt hij zich af. De weg is opgebroken, hij is verplicht om links af te slaan. De betonnen weg gaat over in een zanderige landweg. Vroeger lagen er hier kasseien, maar die liggen nu ergens op een oprit van een boer, die z’n hoeve nu ingericht heeft als bed & breakfast. Valt meer mee te verdienen dan koeien melken en geitenkaas maken…

Als het maar niet begint te regenen, zegt Bernard tegen z’n achteruitkijkspiegel, terwijl de eerste druppels vallen. Het begint te schemeren, de nacht zal niet lang meer op zich laten wachten. De maan doet een schuchtere poging om de wolken te laten verdwijnen. Een kerkuil wordt wakker. Tuurt zoals Bernard ook in de vallende duisternis. Ik moet hier ergens m’n tent opslaan, denkt Bernard. Verder rijden heeft weinig of geen zin. Maar gezien hij geen tent heeft, kan hij ze ook niet opzetten. Het zou een pak handiger zijn moest ik een trekcaravan hebben, besluit hij. Ik word te oud voor zulke toestanden, denkt hij. Hij zet de radio aan. Er komt niets uit. Alleen wat gekraak en getuut. Tuut, tuut, kraak, kraak…hij klopt op de radio, maar ’t helpt geen sikkepit. Ik zit in een magnetisch veld, denkt Bernard, die er heilig van overtuigd is dat graancirkels gemaakt worden door buitenaardse wezens….

Hij rijdt verder over de zandweg. Van de ene put naar de andere. Z’n oude Lada steigert als een op hol geslagen paard. De kortste weg naar een zekere dood, denkt de Lada. Waarom hebben ze me niet in de DDR gelaten, ik was daar gelukkig en Trabantje zag me graag. Bernard ziet me ook graag, maar af en toe vergeet hij dat ik moet drinken. Dat m’n oude motor gesmeerd moet worden. Voor de rest heb ik geen klagen, ik heb bijna heel België gezien, wat van velen niet kan gezegd worden. Die zien alleen de school en de bakker om de hoek…

De duisternis is plots gevallen als een rover in de nacht. Bernard begint het nu toch wel echt op z’n heupen te krijgen. Ga ik hier nog ooit een andere weg tegen komen? Kunnen ze hier verdomme geen wegwijzers zetten? Hij moet nu goed uitkijken, want op de weg liggen door de wind afgerukte takken. De restanten van een storm die hier geraasd heeft. Plots duikt er een stam op in z’n lichten. Dwars over de weg. Hij remt uit alle macht, maar kan niet vermijden dat hij hem raakt. Z’n hoofd knalt tegen de voorruit. Een tijdelijke bewusteloosheid is het gevolg. Ik hoor stemmen en zie sterretjes, denkt Bernard, alvorens weg te zakken in het niets…

Bernard schiet wakker. Hoe lang heb ik geslapen, denkt hij. Vanwaar komt die barstende hoofdpijn? En die bloedsmaak in m’n mond? Hij is nog een beetje versuft door de klap, weet geen antwoord op z’n eigen vragen. De oude Lada heeft het tijdelijke met het eeuwige gewisseld, alleen z’n koplampen branden nog. Bernard probeert terug leven in z’n wagen te krijgen. Hopeloos. Ik hoor nog steeds stemmen en zie ook nog steeds sterretjes, mompelt Bernard. De stemmen komen uit de radio, de sterretjes staan aan de hemel. Hij probeert zich te concentreren. Die stemmen spreken een onbegrijpelijke taal. Is het wel een taal, vraagt hij zich af. ’t Lijkt meer op een kakofonie van klanken. Hij zet de koplampen uit. Waar is m’n zaklamp gebleven? In de koffer, natuurlijk, waar anders? Hij stapt uit de wagen, ontdoet zich van z’n das die hem het gevoel heeft van een strop. Ik ben geen Gentenaar hé, zegt hij tegen zichzelf. Bernard neemt het besluit om de weg dan maar te voet verder te zetten…

Z’n zaklamp geeft juist voldoende licht om hem z’n nek niet te laten breken. In de middeleeuwen hadden ze betere wegen, denkt Bernard. Een beetje verderop ziet hij de contouren van een huis. Hij nadert met rassé schreden het huis. Die zullen me wel kunnen helpen, denkt hij, of op z’n minst mij te slapen willen leggen. Hij is moe, heel moe. Het is geen huis maar een uit de kluiten gewassen villa. Een villa die meer weg heeft van een kasteeltje. Wie zet er nu torentjes naast een villa, vraagt hij zich af. Hij loopt het onverzorgde pad op tot aan de voordeur. Nergens is iets te horen, alleen het gekras van een raaf, die hem van op het dak gadeslaat. Bernard klopt op de deur. Hallo, roept hij, hallo!!..

Er waait plots een wind door de bomen. Een koude wind, die hem kippenvel doet krijgen. Hij probeert door het grote raam te kijken, het is donker binnen. En er is geen teken van leven. De raaf is nu op de brievenbus gaan zitten. Kijkt hem aan met venijnige oogjes. Bernard slaat er geen acht op. Hij morrelt nu aan de garagepoort. Nu pas ziet hij het bord waarop ‘ Te Koop’ staat. Verdomme, moet weer lukken, denkt hij.

Twee ogen, verscholen in het struikgewas, kijken naar hem. Het zijn roodgloeiende ogen. Ogen als die van de duivel…


©GoNo 

0 reacties:

Een reactie posten

Aanmelden bij Reacties posten [Atom]

<< Homepage