GoNo's Gedichten & Verhalenhoek

De hersenspinsels van een zelf- en door anderen verklaarde dichter/schrijver.

vrijdag 16 april 2010

ZIJN dorp 1 ( vervolg van ZIJN verhaal )

Hij loopt over het perron, staat even stil en probeert de sfeer van weleer op te snuiven. De populieren , beetje kromgebogen door de wind, staan er nog. De bloembakken met geraniums hangen er ook nog. Op een zijspoor vertoeft het oude locomotiefje met twee aanhangwagentjes, tussen ander roestig spoorwegmateriaal. Geen geld om het treintje te onderhouden, geen personeel om er zich mee bezig te houden. De steunbalken van de overdekte gaanderij hebben hun beste tijd gehad. Ze schilferen en boven hun hoofd groeit er mos in de dakgoot.
Hij gaat naar binnen langs een scheefgetrokken deur, waarvan het raam met bruine tape nog enigzins op z'n plaats gehouden wordt. Hij ziet de versleten blauwe en witte tegels, de kachel staat mistroostig in de hoek. De drie loketten zijn alledrie dicht, geen spoor van leven langs de andere kant te bekennen op dit uur. Op andere uren waarschijnlijk ook niet. Een oude man met even oude klak op, zit rustig z'n pijp te roken. Het kan hem niet schelen dat hij hier niet mag roken. De sanseveria's van weleer hebben voor nakomelingen gezorgd en doen waar ze goed in zijn. Niets dus.
Hij herinnert zich de tijd toen hij met de klas van meester Rik op schoolreis ging met de trein. Meester Rik met z'n walrussnor, z'n gesteven witte boord en z'n altijd aanwezige strikje. Z'n meetlat gekneld onder z'n linkerarm, een gewoonte die hij overgehouden had van de tijd toen hij nog luitenant was in het roemrijke Belgische leger. Die meetlat, dat als een zwiepende zweep op je hoofd kon terechtkomen, als je ook maar ene centimeter uit de pas liep. Of als je meneer pastoor, bij het verlaten van de kerk, tegenkwam en vergat je klak af te nemen. Meneer pastoor, die alles wat naar vooruitgang rook, genadeloos neervlamde vanop z'n preekstoel. Die zich God waande en zich als dusdanig ook gedroeg. Eenmaal per jaar ging hij de nabijgelegen boerderijen zegenen. Tegen het Kwaad, dat altijd op de loer lag. Men hoefde hem niet te betalen, maar een kleine bijdrage was altijd welgekomen. Wat hem een aardige bijverdienste opleverde, gezien de hoeveelheid groenten en fruit die in z'n aftandse bakkerskarretje geladen werd. 't Was voor het goede doel, voor de arme mensen. Eenderde ging inderdaad naar de armen, de rest naar het klooster in het dorp even verderop. Wat niet weet, wat niet deert, was z'n leuze. Maar iedereen wist het en iedereen zweeg. Bang om het onderwerp te worden van z'n volgende preek. En ge wist toch nooit zeker, dat die verdoemenis niet echt bestond hé?
Veel kinderen maken want God had de kinderen lief. In ieder familie was er wel iemand die zich geroepen voelde om later Gods Woord te gaan verkondigen. Of als non ten dienste te staan van de zogenaamde maatschappij tot meerdere eer en glorie van de kerk, die als hoeksteen van de beschaving alom aanwezig was.
Meester Rik en meneer pastoor waren dikke vrienden, letterlijk en figuurlijk. Een goed sigaartje en een lekker wijntje sloegen ze nooit af. In ruil kreeg je van beiden de zegen. De ene al wat goddelijker dan de andere. Waar is de tijd dat hij als jongetje van amper tien jaar bij baron Orny de Wernimont als stalknechtje in de leer ging, omdat hij zo goed met paarden overweg kon? Hij keek z'n ogen uit op al die luxe en grandeur. Moest noodgedwongen Frans leren, want dat hoorde zo. Die paarden verstonden alleen maar die taal, gezien het Arabische volbloeden waren, die uit de toenmalige koloniën kwamen. Hij werd niet slecht behandeld, maar ook niet goed. Ze lieten hem wel voelen dat hij maar een doodgewone boerenjongen was, maar hij wist toen niet beter en keek op naar de aristocraten. Hij was heimelijk verliefd op de jongste dochter, die even oud of jong was als hij. Onbereikbaar voor hem, het roosje die hij telkens op haar zadel legde, kwam steevast in de vuilbak terecht. 't Lijkt hem allemaal nog niet zo lang geleden. Alsof het gisteren was. Maar de oorlog brak uit en de baron trok naar veiligere oorden. 't Kasteeltje werd leeggehaald en op vrachtwagens geladen. Hij kreeg van de rentmeester z'n schamele loon uitbetaald en dat was het dan. Geen dank u, laat staan dat hij afscheid kon nemen van de jongste dochter. Die was de dag ervoor al vertrokken, maar dat wist hij niet.
Hij staat buiten op het stoffige plein met de eeuwenoude eik en de even oude kiosk, waar vroeger iedere zondag na de mis, de fanfare St-Barbara een gratis concert gaf. Een vijtienkoppig allegaartje van muzikanten die geen noot konden lezen. Die Duitse marsliederen speelden op aanraden van meneer pastoor, kwestie van oefening tegen dat de Duitsers op bezoek zouden komen in hun dorp. De inwoners trokken zich weinig aan van de opmars der Duitsers, ze hadden al problemen genoeg om zelf te overleven nu de Frantalige officieren van het Belgische leger alles opeiste wat vier poten had. Ze kregen een papiertje in hun handen gestopt, wat na de oorlog van nul en generlei waarde bleek te zijn. Meester Rik, in z'n uniform van luitenant, speelde voor tolk. Probeerde zo goed en zo kwaad uit te leggen dat in beslagname van goederen ook bij vaderlandsliefde hoorde. En de kinderen speelden niet langer cowboy en indiaantje, maar waren nu volleerde soldaatjes die op bevel de zandduinen afstormden...

©GoNo

0 reacties:

Een reactie posten

Aanmelden bij Reacties posten [Atom]

<< Homepage